KoxCult - Artikelen 
Contact
Logo KoxCult

Wordt Gerard Marlet de nieuwe cultuurhype na Richard Florida?
22 mei 2011

De Atlas voor Gemeenten 2011 is uitgekomen met daarin extra aandacht voor cultuur en de economische impact van cultuur. Dit alles in navolging van het uitgebreide onderzoek van Gerard Marlet, De aantrekkelijke stad uit 2009 waarin voor het eerst een significante relatie wordt gelegd tussen de aanwezigheid van de culturele infrastructuur in een stad en de economische groei in die stad. Voor de cultuursector een onomstotelijk en onverdacht bewijs dat cultuur er toe doet, sterker nog, dat cultuur een van de weinige factoren is die een stadsbestuurder kan beïnvloeden om de economische groei te bevorderen. In tijden van bezuinigingen en economische crisis een welkom geluid.

Terecht dus dat de Atlas voor Gemeenten daar aandacht aan besteedt, maar er ontstaat daardoor wel het risico van een enorme tegenvaller die zich uiteindelijk weer tegen de cultuursector zal keren. Vergelijk dit met de hype van Richard Florida's rise of the creative class en de welvaart die uit deze creatieve klasse voort zou komen. Iedere stad en gemeente in Nederland (en de rest van de wereld lijkt het soms wel) verdiepte zich ineens in Florida's onderzoek, en richtte zich op het binnenhalen en faciliteren van de creatieve klasse. Broedplaatsen, fablabs en atelierruimtes schoten als paddenstoelen uit de grond, in de hoop de creatieveling te vangen en te houden, en de veelbelovende economische impuls aan de stad toe te kunnen voegen.

Iets soortgelijks dreigt nu weer te gebeuren: historische binnensteden en veel uitvoeringen en exposities zorgen voor een levendig creatief klimaat, en daar komen de juiste mensen (hoogopgeleid en/of creatief) vanzelf op af, en daarna de bedrijven en de voorspoed. Op zichzelf is dat wel wat het onderzoek van Marlet als kansrijke mogelijkheid aangeeft. Maar niet wanneer alle steden en gemeenten daarin allemaal weer precies hetzelfde gaan doen. Want dan ontstaat er bijna nergens een concentratie van creatief vermogen die groot genoeg is om de juiste mensen en bedrijven aan te trekken.

Ander onderzoek van Marlet toont aan, dat steden met een sterke culturele infrastructuur (en daarmee culturele en economische groei) ook zorgen voor een economische waardevermeerdering in de gemeenten in de directe omgeving van die stad. Daar ligt dan ook een oplossing voor het probleem: het gezamenlijk investeren van gemeenten in de culturele infrastructuur van de “centrale” stad van de regio zorgt voor een economische groei in de gehele regio. En als die steden dan ook nog eens onderling bereid zijn met elkaar te kijken naar aanvullende en kansrijke profielen, om zo op provinciaal of landsdelig niveau te zorgen voor differentiatie en afstemming, dan wordt het risico van een nieuw “Florida-fiasco” aanzienlijk kleiner.

Blijft over wie er dan met name zou moeten investeren in die culturele infrastructuur. Van oudsher investeren gemeenten het meest in cultuur (via subsidies en gebouwen), maar uit het onderzoek van Marlet blijkt ook dat zij het meest profiteren van die investeringen. Gemeenten profiteren verhoudingsgewijs zelfs nog meer dan ze zelf investeren. Althans, dat lijkt zo op het eerste gezicht. Want via belastingen (direct en indirect) en minder uitkeringen profiteert de rijksoverheid ook flink mee. En niet te vergeten al die bedrijven die hun omzet zien groeien door zich in de juiste gemeente te gaan vestigen, terwijl zij lang niet altijd direct meebetalen aan die infrastructuur. Via belastingen doen zij (en wij allemaal overigens) dat wel, maar daarmee dragen zij ook bij aan het wegennet en de ontwikkeling van bedrijventerreinen (en ook daaraan dragen wij allemaal aan bij).

Het tweede risico is dus dat het rijk (en anderen) op basis van dit onderzoek de bal bij de gemeenten neerlegt, omdat het in hun eigen belang is. Waardoor gemeenten in een financiële spagaat komen omdat de investeringen in cultuur pas indirect en later via gemeentelijke belastingen op de langere termijn terugkomen. En dat overheden daarmee naar elkaar gaan kijken om vervolgens bedrijven als “hoofd-profiteurs” aan te wijzen met de opmerking dat de markt en haar economische werking het dan maar op moet lossen.

Dat vraagt dus om een gezamenlijke aanpak. Van gemeenten, provincies, het rijk, maar ook van en samen met bedrijven en instellingen. Om het even welke partij kan daarin het voortouw nemen, als van te voren maar goed nagedacht wordt over de vraag wat men met deze investeringen wil bereiken. Welke doelgroepen horen daarbij, en wijkt die erg af van de huidige bevolkingssamenstelling? Welk profiel van de stad en regio past daarbij, en onderscheid ik me daarmee wel voldoende van anderen in de (bredere) regio? Welke partijen hebben daarin een sleutelrol: welke overheden, instellingen en bedrijven? Welk type culturele infrastructuur moet ik dan ontwikkelen, zowel wat erfgoed, professionele kunsten als amateurkunst en cultuureducatie betreft? Om daarna gericht te investeren in een culturele infrastructuur met “smoel” en gewicht. En laat dan die euro's maar komen ...


 
Reageren? mail ons!